De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad het statuut en de bezoldiging van de voorzitter en van de overige leden van de Raad, alsook hun plichten.
De leden van de Raad zijn onderworpen aan het beroepsgeheim. Zij mogen geen vertrouwelijke informatie waarvan ze kennis hebben in het kader van de uitvoering van hun functie, meedelen aan derden, behalve in de wettelijk vastgelegde uitzonderingen. De niet-nakoming van die verplichting leidt tot een voorstel tot afzetting.
De leden van de Raad kunnen bij een in Ministerraad overlegd besluit, op voorstel van de minister, worden afgezet.
De Koning stelt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de omstandigheden vast waarin een afzetting voorgesteld kan worden.
Behalve in geval van afzetting blijven de leden van de Raad hun functie uitoefenen na het einde van hun mandaat zolang niet in hun vervanging voorzien is.