RSS
NEWSLETTER
 
ActiveX:
 
de benaming ActiveX omvat een waaier aan technologieën die voor het grootste deel betrekking hebben op internet of op het web. Deze komen voor in de verschillende Microsoft-applicaties en beginnen zich nu in de besturingssystemen te infiltreren. Terwijl de “Java-applets” bepaalde taken niet kunnen uitvoeren, zoals het wissen van een bestand op de harde schijf van een gebruiker, is de ActiveX-controle tot zowat alles in staat op de computer van de gebruiker, bijvoorbeeld het installeren van een virus, het lezen van bestanden op het systeem van de internetgebruiker, enz. Zodra het door een gebruiker aanvaard wordt, kan het programma vrij te werk gaan.
 

Adware (Advertising software):
 
samentrekking van “Ads” (advertenties in het Engels) en “ware”; duidt een type van software aan (freeware, shareware, payware, enz.). Programma dat gerichte advertenties naar een computer stuurt, met of zonder de goedkeuring van de gebruiker.
 

Antiadwareprogramma:
 
applicatie die adware wist, de werking ervan belemmert of ze vervangt door lokmiddelen wanneer de werking van de overdrager afhankelijk is van de aanwezigheid van zijn adware.
 
 
Antibannerprogramma:
 
applicatie, vaak gratis en multifunctioneel, die banners op webpagina’s onderschept.
 

Antipop-upprogramma:
 
een van de middelen in de strijd tegen ongepaste reclame op internet. Het antipop-upprogramma treedt in werking zodra een venster opengaat wanneer dat niet is gevraagd.
 

Antispywareprogramma:
 
applicatie die het geheugen, het register en de verschillende schijven van de computer scant om bekende spyware te detecteren.
 

Antivirusprogramma:
 
applicatie die computervirussen kan opsporen en uitschakelen.
 
Applet:
 
interactief Java-programma dat op de server staat en op de client kan worden gedownload. Het voert zichzelf uit op een webpagina om de weergave ervan te verbeteren of om een specifieke functie uit te voeren. Hiertoe moet men over een browser beschikken die Java kan lezen.
 

Banners:
 
reclame-inlassingen op webpagina’s of in de opstartvensters van programma’s, die bandbreedte gebruiken en door adware worden aangestuurd.
 

Berichtenfilter:
 
functie die de meeste e-mailprogramma’s bieden en waarmee op grond van bepaalde berichtkenmerken het merendeel van de ongewenste berichten uit een mailbox kunnen worden verwijderd.
 

Besturingssysteem:
 
geïntegreerd geheel van software die het gebruik van een computer en al zijn onderdelen (of randapparatuur) mogelijk maakt. Het zorgt voor het opstarten van het systeem en voorziet de applicaties van interfaces waarmee de onderdelen van de computer worden gecontroleerd.
 

Cookies:
 
kleine bestanden die op de harde schijf staan en gebruikt worden om bij het browsen advertenties aan te sturen en ook voor spyware.
 

Digitale handtekening:
 
analoog aan een handtekening op een papieren document.
 
 
Encryptie (versleuteling):
 
procédé waardoor men het lezen van een document onmogelijk maakt voor iedereen die niet over de ontcijferingssleutel beschikt.
 

Extensie van een bestand:
 
suffix die gegeven wordt aan bestandsnamen om hun formaat te kunnen bepalen, dit is de manier die gebruikt is om gegevens in de vorm van binaire getallen weer te geven.
 
 
Firewall:
 
letterlijk vertaald een brandmuur; filter voor binnenkomend en uitgaand internetverkeer. Blokkeert ongebruikte poorten die het doelwit van aanvallen kunnen vormen.
 
 
HTML (Hyper Text Markup Language):
 
programmeertaal die op alle bestaande platformen en browsers wordt gebruikt om webpagina’s weer te geven. Met deze taal kunnen zowat alle internetsnufjes worden beheerd, zoals hypertekstlinks, opgemaakte tekst, afbeeldingen, video- of animatiebeelden, tabellen, formulieren, frames, scripts, ongewone karakters, stijlpagina’s, enz.
 

IP-adres:
 
adres waarmee op internet aangesloten computers worden geïdentificeerd. Deze identificatie vormt de basis van elke uitwisseling van informatie op internet, aangezien een adres noodzakelijk is om te bepalen wie de verzender is van informatie op dat netwerk.
 

Java:
 
technologie die bestaat uit een objectgeoriënteerde programmeertaal en een uitvoeringsomgeving. De objectoriëntatie verwijst naar een modern programmeersysteem en taalconcept.
 
 
Javascript:
 
een programmeer- of scripttaal die vooral gebruikt wordt in webbrowsers.
 

Macro:
 
de koppeling van een vervangingstekst aan een identifier, zodat de identifier daarna bij elk gebruik door die tekst wordt vervangen. Deze identifier kan bestaan uit een script.
 
 
Paard van Troje:
een programma dat er bedrieglijk echt uitziet en schadelijke routines uitvoert zonder de toestemming van de gebruiker. In tegenstelling tot wat men vaak hoort, is een paard van Troje geen computervirus, aangezien het zichzelf niet reproduceert, wat een essentieel kenmerk is van een virus. Backdoors behoren tot de meest verspreide types van paarden van Troje. Zij zijn erop gericht de controle over de computer van het slachtoffer volledig over te nemen.
 

Peer to peer (P2P):
 
type van communicatieprotocol op een computernetwerk, waarvan de elementen (de knooppunten) niet uitsluitend de rol spelen van client of server maar op beide manieren functioneren, doordat ze tegelijk client en server zijn van andere knooppunten in die netwerken, in tegenstelling tot systemen van het type client-server.
 

Pop-up:
 
overkoepelende term die gebruikt wordt om twee types van POP-xxx-vensters aan te duiden, dit zijn onafhankelijke vensters die als een “Post-It” opduiken:
• op de achtergrond, onder de bezochte pagina’s: dit zijn de pop-unders
• op de voorgrond, boven de bezochte pagina’s: dit zijn de pop-overs
 

Pop-upvenster: (zie pop-up)
 

Protocol:
 
in de context van computernetwerken en telecommunicatie is een communicatieprotocol een specificatie van verschillende regels voor een bepaald type van communicatie.
 

Proxy:
 
server die als functie heeft de verschillende zoekopdrachten die uitgaan van internetbrowsers over te nemen, en hun antwoorden op te slaan en bij te houden. Zo’n server is ook voorzien van nieuwe functies die verband houden met de veiligheid van het lokale netwerk, het filteren of het bewaren van de anonimiteit.
 

Scanning:
 
bewerking waarbij een programma de onbeschermde poorten van een computer afzoekt. Poorten zijn communicatiekanalen die de computer tot stand brengt om informatie te ontvangen en te versturen op het netwerk waarop hij is aangesloten.
 

Script:
 
geheel van instructies in een eenvoudige programmeertaal, die algemeen leesbaar is.
 

Spammer:
 
andere term voor iemand die kwaadwillige software verspreidt.
 

Spyware:
 
spionagesoftware; programma dat erop gericht is persoonlijke gegevens over gebruikers te verzamelen. Hierbij is het de bedoeling de informatie via internet of enig ander computernetwerk te verspreiden, zonder de voorafgaande goedkeuring van de gebruikers.
 

Trojan: zie paard van Troje
 

Trojan horse: zie paard van Troje.
 

URL:
 
afkorting van de Engelse term Uniform Resource Locator, letterlijk “uniforme localisator van informatiebronnen”, informeel een internetadres genoemd, bestaat uit een reeks karakters die gebruikt wordt om de informatiebronnen op het world wide web te identificeren: HTML-documenten, afbeeldingen, klank, Usenet-discussiegroepen, mailboxen, enz.
 

Virus:
 
programmatuur of kwaadwillige code die in staat is zich te vermenigvuldigen, opgenomen zit in een gangbaar bestandstype en in het besturingssysteem is opgeslagen zonder dat de gebruiker dat weet. De bedoeling ervan is om het systeem buiten werking te stellen door bepaalde bestanden te vernietigen.
 
 
Webbug:
 
onzichtbare afbeelding ter grootte van een pixel, die opgenomen zit in een webpagina of een e-mail in HTML. Deze wordt geactiveerd bij het downloaden van de pagina en stuurt een verzoek naar de server om informatie over de internetgebruiker te verzamelen, zonder dat deze dat weet.
 

Zoekmachine:
 
tool voor het opzoeken van internetadressen op basis van een opgegeven beschrijving.

Documenten